“Een kutboel is het hier!”, klinkt het in Krimpen aan de Maas, het tweede deel van de Tegenlicht-documentairereeks Nederland Op De Tekentafel, een onderzoek naar de toekomst van grensregio’s, dat gisteravond werd uitgezonden op het publieke Net 2. Beelden van een desolaat, stedelijk landschap vergezellen de roep om aandacht. Verwaarloosde huizenblokken en lege plekken wisselen elkaar af. De documentairemakers nemen niet de moeite de schreeuwer te vragen naar zijn motivatie. Het scenario voor de uitzending lag al vast. Gemaakt op de tekentafel in Hilversum.
Een dag voor zijn drieenzeventigste verjaardag ontmoeten we de kunstenaar in zijn monumentale pand aan de Valkenburgerweg in Heerlen. Aan niets is te merken dat Theo Lenartz de pensioengerechtigde leeftijd is gepasseerd. Type montere, bereidwillige verteller. Zijn werk scheert rakelings langs stromingen en stijlen uit de kunst van de twintigste eeuw. Ook dat werk vertelt een verhaal.
De kunst van Lenartz is bekender dan de kunstenaar. In Heerlen is nogal wat van hem te zien, voor wie er oog voor heeft tenminste. Een van de markantste werken is de veertig meter lange watervalfontijn tussen winkelcentrum ‘t Loon en de Promenade, al is deze wegens een verbouwing inmiddels verwijderd. De materialen waarmee Lenartz werkt zijn niet altijd voor de hand liggend. In zijn huis hangt een collage van aluminium wegwerpschaaltjes. Als je zijn doeken nauwkeurig bekijkt zie je felgekleurde stroken die in balans worden gehouden door kordaat gerangschikte nietjes. Pop-art, collagekunst, abstract expressionisme. Wandreliëfs, glas, interieurs, sculpturen, de openbare ruimte. Ook dat is het atelier van Lenartz. Alleskunner, levenskunstenaar. “Ik denk nooit aan kunst”.
Begin vorige eeuw was het een raadsel wat achter de muren van de Eindhovense stadsdeelwijk Strijp gebeurde. Inwoners waren op de hoogte van de komst van een vestiging van Philips, maar daar bleef het ook bij. Jarenlang bleek Philips er de nieuwste technologische snufjes te produceren. In 2004 verliet de multinational Strijp voorgoed; in één klap werd het Strijpgebied gadget van iedere projectontwikkelaar. En de plannen waren groots. Strijp-s, zoals het gebied intussen genoemd werd, moest een utopie worden voor de moderne en creatieve mens. Een terrein waar je kon wonen, uitgaan en werken.
Stuart Staples (Tindersticks) Parkstad Theater Heerlen (foto: René Bradwolff)
Ooit was er veel te doen om Tindersticks. In het begin van de jaren negentig was de verbazing groot en nam de bewondering toe over een groep muzikanten uit Nottingham die Europees gekleurde chansons speelden, waarin Jacques Brel weerklonk, en geen spoor van de toen heersende Britpop. Bij monde van de omfloerste bariton Stuart Staples bleken de songs van Tindersticks een kroegtocht vol dobberend levensgemoed. Geen gitaarpop op maat, maar strijkers en piano aan de zwier. Het was de tijd dat een Tindersticksplaat door muziekbladen nog werd uitverkozen tot album van het jaar.
Tindersticks onderging de afgelopen jaren een knipperlichtbezetting. Net iets te vaak werd er op safe gespeeld met brave, degelijke liedjes op hapklare soulinvloeden. De twijfel rees, en de twijfel is nooit meer weggegaan. Tindersticks werd een band met een verleden. Even was er de opleving met het fraaie Waiting For The Moon dat teruggreep naar de hoogtijdagen. Maar de fans van het eerste uur weten het dondersgoed: Tindersticks is al jaren de weg kwijt.
Die artistieke tweespalt tussen heden en verleden werd pijnlijk duidelijk tijdens het optreden in Heerlen. Met nadruk werd geput uit songs van de laatste albums. Wat in positieve zin opviel was het heldere geluid, de verstaanbaarheid van de doorgaans mompelende Staples, de intieme sfeer, de band van zeven man sterk die goed, misschien wel te goed, op elkaar was ingespeeld. Maar de echte bezieling, ja waar was die? In het gevang gezet door cipier Staples, de sleutel per ongeluk (?) kwijtgeraakt. En reken maar dat hij voor het oprapen lag die sleutel. Tijdens Raindrops bijvoorbeeld, waarin de bijna fluisterende Staples tegenwerking kreeg van cello- en gitaarcrescendo’s. “Silence is here again, the silence is here again tonight…” Prachtig en ontroerend voor zolang het duurde.
Tindersticks, Parkstad Theater, Heerlen (foto: René Bradwolff)
Ook die andere schaarse hoogtepunten kwamen van de eerste drie meesterwerken. Songs als het leven, nerveus, jachtig, ongedurig. Wat je wilt van een van je favoriete bands is dat ze ter plekke op het podium alles uit zichzelf haalt, uit reserves put waardoor de albumversies worden overmeesterd en de luisteraar overweldigd. Het amper anderhalf uur durende optreden van Tindersticks klonk als een koud kunstje, als ervaren muzikanten verdwaald in een amusementsorkest.
Tindersticks (Parkstad Limburg Theaters, 12 november 2010)
Veel van wat Francis Alÿs maakt krijgen we niet te zien. Duwt hij in de straten van Mexico een blok ijs voor zich uit. Geeft hij instructies aan honderden mannen hoe ze in een woestijn stapsgewijs een hoopje zand moeten scheppen. Kunst, want dat is het, die zich afspeelt buiten de omheining van museums, in omgevingen waar kunst meestal ver te zoeken is; op straat of in een woestijn desnoods. De omgeving als expositieruimte. Wel worden er van zijn performances opnamen gemaakt die tijdens tentoonstellingen en op internet te zien zijn.
De kunst van Alÿs oogt nogal bescheiden. Maar vergis je niet. Betekenis en daadkracht sluimeren voortdurend onder de oppervlakte, dagen niet ogenblikkelijk uit maar zijn wel degelijk politiek geladen. Misschien is het beter te spreken van acties in plaats van performances. De omgeving is in Alÿs’ werk net zo belangrijk als de handelingen en gewaarwordingen die heel subtiel op de loer liggende conflictsituaties suggereren. Op de loer, omdat hij een lichte voorkeur heeft voor humor, ironie en het onbevangene. Alsof hij zichzelf wil blijven verbazen en deze verbazing wil overbrengen op de toeschouwer.
Ondanks dat zijn acties er makkelijk en soms wat onbeholpen uitzien, zijn ze zorgvuldig bedacht en gepland. Alÿs gaat op onderzoek uit dat pas na verloop van tijd, wanneer de handelingen lang genoeg hebben geduurd, een vergrootglas blijkt voor iets wat we eigenlijk niet willen weten: oefeningen in verveling, met de nadruk op herhaling. Zoals het leven van mensen in de stad een herhalingsoefening is, een ongekunstelde performance van winkelend publiek dat gretig ingaat op koopjes of, zonder erbij na te denken, de zondag doorbrengt op de woonboulevard, wars van zelfreflectie voor zijn eigen koopgedrag.
Alÿs is zo slim dit niet al te nadrukkelijk te weerspiegelen waardoor zijn beeldtaal iets poëtisch en zachtaardigs krijgt. Kunst die er niet uitziet als kunst en juist daarom op het verkeerde been zet. Bij Alÿs geldt de wet van het omgekeerde. Iets tonen door het niet te laten zien. Net zoals de shoppende medemens niet in de gaten heeft dat hij zich laat lokken en verleiden door de subliminale boodschap van marketing en advertenties. Schimmig en verborgen, net als Alÿs zelf. Hij heet eigenlijk Francis de Smedt.
In Guards filmt Alÿs de bekende Londense wachters van Buckingham Palace in het voor hen zo kenmerkende knalrode uniform met kingsize bontmuts. Eerst loopt er eentje verdwaald rond, op zoek naar een metgezel om een peloton van 64 wachters te vormen die in de slotminuten synchroon door de straten van Londen marcheren. Wat de film een meerwaarde geeft zijn de beelden; beurtelings vanaf het dak en vanuit het peloton genomen, de stilte door de afwezigheid van verkeer, waardoor het geluid van het marcherende ritme bijna fysiek wordt. Alÿs maakt er iets indrukwekkends van, een ‘choreografie van ritueel machtsvertoon’.
In het Bonnefantenmuseum is Alÿs door het hele gebouw zichtbaar en onzichtbaar. Dat levert voor de bezoeker nog een hele klus op. Een zoektocht aan de hand van monitors met videobeelden, bevestigd aan de muren als een soort richtingwijzers. Hoe dan ook beland je op gegeven moment in de grote zaal waar een ode aan de stilte is gedrapeerd. Silencio is een werk van driehonderd onderscheidelijk gekleurde deurmatjes, dat voor het eerst in zijn volledigheid wordt getoond. Het materiaal is van geluiddempend rubber, de afbeeldingen met zijn wijsvinger tegen de lippen, manen tot stilte. Iets benadrukken en laten zien wat er niet meer is. Stilte. Waar vind je het nog?
In samenspraak met Alÿs is ter gelegenheid van de aan hem toegekende BACA Award (de enige belangrijke prijs voor beeldende kunst in ons land), een kruisbestuiving aangegaan met werk van kunstenaars van de Jan van Eyck Academie in Maastricht. In enkele aangrenzende zalen levert dat volgens het Bonnefantenmuseum ‘de straat als een ruimte vol dubbelzinnigheden’ op. Becoming ahhh luidt deze masterclass voor kunststudenten voor wie de conceptuele kunst uitkomst biedt, een hulpmiddel is om zich te doen gelden in de veronderstelling dat idee en concept belangrijker zijn dan de kracht van het beeld. Een grove misvatting, zoals blijkt uit de werken waar je schouderophalend aan voorbij gaat in de hoop dat het nog wat wordt, met gebruiksaanwijzing.
BACA Laureaat 2010: Francis Alÿs (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 27 maart 2011)
Hoe tragisch het leven soms kan zijn. Neem de film l’Enfer van Henri-Georges Clouzot, met in de hoofdrol Romy Schneider. Het had een allegorie van caleidoscopische droombeelden moeten worden over de neergang van een obsessieve, jaloerse echtgenoot. Maar Clouzot bleek zelf ook obsessief in zijn drang naar perfectionisme en vernieuwing. Clouzot wilde teveel van het goede. Per se een nieuwe manier van filmen laten zien door toepassing van een ongebruikelijke omgang met kleurbehandeling en camerabewegingen. Daar kwam weinig van terecht. Clouzot ging ten onder aan de verwachtingen die hij niet kon waarmaken, leed aan depressies, dreef zijn medewerkers tot wanhoop en werd tijdens de opnamen ernstig ziek.
Daar sta je dan samen met fotograaf Jeff Jaspar. Meneer Robin Proper-Sheppard – hij is Sophia – wil dat fotografen geluidloze toestellen gebruiken, zonder flits; hij raakt uit zijn concentratie als hij het harde geklik van spiegelreflexcamera’s hoort. Tegen dit verzoek ingaan is de goden verzoeken; Proper-Sheppard heeft een beetje een reputatie van moeilijke, humeurige man, en hij is niet te beroerd om onruststokers persoonlijk aan te spreken – of uit te schelden – of zelfs een optreden te stoppen. Dus helaas, geen foto’s van deze avond.
Eerst even een korte geschiedenisboostersessie: Robin Proper-Sheppard was begin jaren negentig de voorman van de inmiddels in cultkringen legendarische indie/noiserockband The God Machine, die twee fenomenale albums uitbrachten die tot de beste platen van dat decennium (en daarna) behoorden. Helaas kwam de band vroegtijdig aan zijn einde toen de bassist stierf aan een hersenbloeding; waarna Proper-Sheppard besloot zijn gevoelens van zich af te schrijven in sombere, rustige, goeddeels akoestische liedjes onder de naam Sophia. Daar is hij vervolgens nooit meer mee gestopt; hoewel de rouw over zijn vriend en bandlid op een gegeven moment leefbaar was geworden, bleek dat nauwelijks het geval voor zijn eeuwige moeite met het onderhouden van relaties. Dat is voor artiesten een goede bron van inspiratie, maar Proper-Sheppard brengt zijn relationele realiteit zo direct en open onder woorden dat het bijna pijnlijk is.
Zo ook vanavond. Sophia speelde solo met alleen zijn akoestische gitaar – meestal heeft hij een hele band bij zich en soms trekt hij zelfs een blik strijkers open. Nu kan hij dus behoorlijk moody als hem iets niet zint, maar daar was vanavond gelukkig totaal geen sprake van. Niets van dat, hij stapte het podium op en begon te vertellen, en te vertellen, en na enkele minuten begon hij pas met een liedje. En eigenlijk was dat exemplarisch voor de hele avond. Proper-Sheppard is een hedendaagse troubadour – weliswaar een volledig op zichzelf gerichte – die ontzettend boeiend kan vertellen over zijn extreem hobbelige liefdesleven.
Robin Proper-Sheppard van Sophia (foto: Madelien Waegemans)
Op zeer ironische wijze maar ook wel vol zelfmedelijden verklaart hij aan de hand van anekdotes hoe hij tot een tekst is gekomen, waarom hij een bepaald nummer wel móést schrijven. Tijdens het praten is er direct contact met de zaal – het publiek allemaal heel fijn op stoelen en banken – maar eenmaal aan een liedje begonnen wordt de goede man compleet in zichzelf gekeerd, ogen dicht, en gaat hij totaal op in zijn muziek en tekst. Met als enige effect zijn interne pedaal, diep ingetrapt op standje “pijnlijk intens”. Bijna beklemmend om te ervaren hoe volledig en alomvattend Proper-Sheppard zijn muziek beleeft, alsof je als toeschouwer bijna gegeneerd je hoofd wilt afwenden.
Maar dat deden we met zijn allen bepaald niet, geboeid als we waren door zijn muziek, en ook zeker door zijn mooie, humoristische en soms ook confronterende verhalen over bijvoorbeeld de dood van zijn moeder en het stervensproces van Jimmy Fernandez, zijn God Machine bandmaat. Daarmee kiest hij bepaald niet voor de makkelijkste weg, wel voor de meest oprechte, en dat is precies wat op het publiek overkwam. Zijn albums van de laatste jaren zijn weliswaar mooi maar niet echt spannend meer te noemen, maar zolang hij zulke optredens kan geven mag hij nog jaren en jaren door blijven gaan. Zoals hij zelf zegt: “ook al zou ik echte liefde vinden, dat staat bij mij nooit gelijk aan gelukkig zijn”, dus die depri-liedjes blijven gewoon komen. Hij kan niet anders.
(Sophia, De Muziekgieterij, Maastricht, 7 november 2010)
Een te dure hobby, dat vindt de Stadspartij Heerlen van Schunck*. Toch besloot de raad deze week om nog eens één miljoen euro extra te investeren in cultuur. Een moedig besluit. Heerlen en Nijmegen zijn de enige Nederlandse steden waar niet gesneden wordt in cultuursubsidies. Maar voor een culturele zomer is meer nodig dan geld.
Vooruit. Schrijver dezes geeft, zij het enigszins schoorvoetend, toe dat hij bij het luisteren naar een liedje van zangeres Schradinova een traantje moest wegpinken. Opeens kon de letterknecht van Zwart Goud zijn gevoel voor ontroering even niet de baas. Dat heb je wel eens. Italian Family heet de song. India Lima Oscar Victor Echo You het album. Schradinova zet de boel op zijn kop met haar kunst van de troost en de verleiding. Dat gaat haar vrij makkelijk af zo te horen. Niks korte metten met de openingssong Draw The Line; schudden geblazen aan de boom van zich weelderig vertakkend zang- en liedjestalent. Vooruit, die naam.