
“Als ik bezig ben geweest met pasteltekeningen, voel ik me daarna net een mijnwerker. De stoffige pastel zit nog in mijn neus, en als ik nies zie je welke kleur ik heb gebruikt.” Een leuke binnenkomer voor een gesprek met Kerkraadse lichtkunstenares Diana Ramaekers over het Limburgse mijnverleden, het speelveld tussen licht en ruimte en de Efteling.
Voor iedereen die niet bekend is met het fenomeen lichtkunst, kun je deze kunstvorm omschrijven? En wie zijn de hoofdrolspelers binnen het genre?
“Volgens mijn definitie vormt licht het verhaal, licht is het communicatiemiddel zelf. De ene kunstenaar gebruikt steen om zich uit te drukken, de ander verf. Ik gebruik licht in al zijn vormen: ik werk met daglicht, maar ook met videoprojectie, dia’s en gefilterd daglicht. Ik gebruik licht niet als verlichting, ik plaats geen schijnwerpers tegen een oud gebouw. In Nederland is er een handvol goede lichtkunstenaars, maar Amerika heeft bijvoorbeeld een sterke traditie in lichtkunst. James Turrell is een van mijn grote inspiraties. Hij heeft in Kuikduin een kom gecreëerd. Als je in het midden ligt, kunt je alleen licht uit de hemel waarnemen. Door dat contrast aan te geven, krijgt het alledaagse licht opnieuw betekenis. Een andere bekende lichtkunstenaar is Olafur Eliasson, hij houdt zich bezig met de relatie tussen licht en natuurwetten.”

Ondertussen legt ze een vuistdik fotoboek van de Deens-IJslander op het werkblad, met op de voorkant een foto van ijspegels die uitmonden in en raster van ijzerwerk. Het boek komt uit een kastje vol werken van collega’s. Het atelier ligt achter de keuken van het woonhuis, het reflecteert in alle opzichten Diana’s interesse in het speelveld tussen licht en ruimte. Er plakken plastic druppels tegen het raam. Het buitenlicht valt in kleine prisma’s uiteen. Aan de muur hangt een vormgegeven neon-lamp die een blauw licht verspreidt, en om haar pols hangt een sieraad waarop je de tijd kan aflezen. Een klassiek horloge is het niet, in het zilver schijnen rijtjes lichtpuntjes door – een toepasselijk uurwerk dat in Londen is gekocht.

In jouw werk speelt ruimte een belangrijke rol. Hoe laat je die samenkomen met licht als kunstvorm?
“Als ik een opdracht krijg, laat ik me leiden door de plek zelf. Ik bezoek de ruimte, ik ga zitten, observeer en fotografeer. Ik zal nooit met een vooropgesteld plan komen, ik vind het veel spannender om met de ruimte zelf te werken. Ook als er factoren zijn waar ik geen invloed op kan uitoefenen, is het juist een uitdaging om de opdracht aan te nemen. Voor de Licht Biënnale in Unna (Duitsland) twee jaar geleden bijvoorbeeld, mocht ik met een groep andere lichtkunstenaars werken met de privéruimtes van zestig gezinnen. Elk van ons moest uit drie locaties een ruimte kiezen. Maar het was moeilijk, de eerste locatie had maïsgele wanden, de tweede was een wintertuin in een villa met teveel daglicht en de derde locatie bestond uit het gewelf van een kelder. Ik koos uiteindelijk voor de laatste ruimte, maar de angst voor het Efteling-effect bekroop me meteen. Licht wordt snel kitsch, Efteling- of kermisachtig, waar licht bedoeld is om te ‘pleasen’. Teveel kleur en zonder inhoud. Ik heb daarom gekozen voor een choreografie met wit licht, simpel en zuiver. Ik gebruikte krypton, het soort licht dat bij popconcerten wordt gebruikt, om de uitgesleten voegen in de hoeken van de muur te benadrukken. Zo vertelde ik met Cryptic toch het verhaal van de oude kelder.”

Hoe waren de reacties?
“Ooohh, het was een warm bad! Er waren mensen die langer dan een half uur binnen bleven, terwijl de choreografie maar zeven minuten duurde. Mijn werk is geslaagd als ik in staat ben om mensen op een andere manier naar licht te laten kijken. Als dat lukt, dan zit ik goed. Licht is iets dat er altijd is, als je het op een bepaalde manier vormgeeft, draag je bij aan een stukje bewustwording. Je creëert een andere wereld. Ik hoop mensen deelgenoot van mijn eigen fascinatie te maken. Ik heb er geen problemen mee als iemand een eigen interpretatie aan mijn werk geeft. Die ruimte moet er zijn. Ik erger me aan kunstenaars die op een A4 moeten uitleggen wat ze bedoelen. Je moet via je werk communiceren, zonder extra uitleg.”

Hoe ben je eigenlijk lichtkunstenaar geworden? Je was vijf en dacht, dat is het?
“Nou, als kind wilde ik graag astronaut worden. Ik was gefascineerd door de sterren en de oneindigheid van de ruimte. Om astronaut te worden, zijn bètavakken op de middelbare school een vereiste. Ik kwam er al snel achter dat dat me niet goed lag. Op de kunstacademie hield ik me eerst bezig met muziek in beelden. Ik was ondertussen nog steeds geïnteresseerd in licht. Net als muziek is licht dynamisch en vluchtig. Als je ophoudt met spelen, is het stil en als je de stekker eruit trekt, is het donker. Voor mijn afstudeerproject gebruikte ik licht, ik ben nu bijna twintig jaar ‘officieel’ lichtkunstenares. Op technisch vlak heb ik mezelf door de jaren heen veel aangeleerd. Voor de lichtbak aan het plafond van het Q-park in Venray heb ik bijvoorbeeld de lichtcompositie die door drie computers wordt aangestuurd, zelf geprogrammeerd. Ook heb ik de driehonderd ledstrips in de lichtbak aangesloten.”

Je refereerde eerder al aan mijnwerkers. Hoe belangrijk is dat verleden voor jou? Mijnwerkers hadden ook te maken met de extremen van licht en ruimte…
“Dat klopt, maar ik vind het jammer dat we in Nederland ons blijkbaar schamen voor het mijnverleden. In Duitsland en België wordt respectvoller en trotser omgegaan met het mijnverleden. Je ziet dat terug in de manier waarop er omgegaan wordt met de mijnbergen. In Nederland zijn die bergen snel afgegraven, begraven en vergeten. Alleen de Wilhelminaberg en een klein bergje in Heerlerheide zijn overgebleven. Ik denk dat de Culturele Lente in Heerlen een kans biedt om het mijnverleden in ere te herstellen. Weet je, ik was vorig jaar in China voor een kunstproject. Ik merkte toen hoe Europees ik eigenlijk ben. We hebben vooral hier in Limburg veel verwantschap met Duitsland en België.”
Meer: Diana Ramaekers
Tekst: Janneke Prins
Foto’s: Anita Hondong
Tags: Diana Ramaekers, lichtkunst



