Column: 50 jaar Rolling Stones

Op 12 juli 1962 trad er een bandje op in de Londense Marquee Club: The Rollin’ Stones. Korte tijd later voegde manager Andrew Loog Oldham een letter aan de bandnaam toe. De rest is geschiedenis. Gastcolumnist Gard Simons over The Rolling Stones.

“Ik maakte me druk over wat ik in 1965 zou gaan doen, want ik had mijn baan opgezegd. Een popgroep leefde toen zo’n twee jaar. Ik verwachtte voor ons een nog korter bestaan.” Aan het woord is Rolling Stones-drummer Charlie Watts tijdens het veertigjarig bandjubileum in 2002. Inmiddels zijn er weer tien jaar verstreken en de geruchten over een ophanden zijnde afscheidstoernee zwellen aan.

Elke publicatie over de grootste rockband aller tijden is welhaast per definitie onvolledig, omdat woorden de lading niet kunnen dekken. De Stones zijn een instituut, een ongrijpbaar fenomeen, enigmatisch en mondain, onverklaarbaar en eenvoudig. Waarin schuilt hun kracht? Velen hebben zich het hoofd erover gebroken, weinigen produceerden een overtuigende analyse. Socioloog en schrijver Flip Vuijsje vormt daar overigens een positieve uitzondering op. Hij publiceerde in 2003 en 2005 twee aanbevelenswaardige boeken over het onderwerp.

Mensen die er geen verstand van hebben, zoals de adepten van die verschrikkelijke klassieke muziek, denken vaak dat een rockband zich onderscheidt door de mate van instrumentbeheersing. Dat is een misvatting. Sommige individuen danken daaraan hun roem, maar het samenvoegen van vijf virtuozen biedt geen enkele garantie op succes. De ontstaansgeschiedenis van de Rolling Stones is een aaneenrijging van toevalligheden die begon in 1961, toen Keith Richards en Mick Jagger op het perron van Dartford aan de praat raakten over de uit Amerika geïmporteerde blues-LP’s die Jagger onder zijn arm droeg. De karakters van Richards en Jagger waren van doorslaggevende betekenis. Karakters die al vijftig jaar met enige regelmaat botsen, maar elkaar tegelijkertijd naadloos aanvullen. De zakelijke, verstandige economiestudent Mick Jagger en het briljante ongeleide projectiel Keith Richards vonden elkaar in een haat-liefde verhouding die leidde tot een succesvolle combinatie van zakelijk en creatief vernuft.

De derde founding father, Brian Jones, was een virtuoos muzikant maar een chronische nietsnut die in 1969 onder nooit opgehelderde omstandigheden verdronk in zijn eigen zwembad. Jones mocht zichzelf graag profileren als oprichter, maar de drijvende kracht van het eerste uur was pianist Ian Stewart, die wegens “te normaal uiterlijk” vanaf mei 1963 in de luwte moest blijven, maar tot aan zijn plotselinge overlijden in 1985 aan zijn vrienden verbonden is gebleven als concert- en studiomuzikant. De overige bandleden, drummer Charlie Watts en de begin jaren negentig opgestapte bassist Bill Wyman, vervullen een dienende rol. Watts is een prima jazzdrummer, maar speelt al vijf decennia een relatief eenvoudige rockbeat in dienst van zijn vrienden. Wyman is een redelijke bassist met een uitzonderlijk introverte persoonlijkheid, hetgeen Jagger en Richards goed uitkwam. Brian Jones’ vervanger is sinds 1975 Ron Wood, een verdienstelijk gitarist en virtuoos alcoholist, die nog steeds opkijkt tegen zijn grote voorbeeld Keith Richards.

Een tweede belangrijke succesfactor ontsproot ook aan het toeval, toen manager Andrew Oldham besefte dat ‘zijn jongens’ geen coverband konden blijven. Ten einde raad sloot hij Jagger en Richards in een keuken op, met de mededeling dat ze pas bevrijd zouden worden als ze een nummer hadden geschreven. Het resultaat, As Tears Go By, was de eerste proeve van bekwaamheid van het symbiotische duo dat zich The Glimmer Twins doopte en de wereld de daarop volgende vijf decennia zou blijven verbazen.

De onmiskenbare, verslavende Stones-sound werd eveneens per (on)geluk ergens eind jaren zestig door Keith Richards ontdekt. Hij had dat aparte geluid al eens opgevangen in een nummer van de Everly Brothers, maar kon het niet thuisbrengen. Pas toen de A-snaar van zijn gitaar brak en hij doorspeelde op de overige vijf, begreep hij wat hij had gehoord: Open G-tuning. Een techniek die niet nieuw was, maar slechts incidenteel werd gebruikt. “Er ging een wereld voor me open”, zegt Richards in zijn biografie. Zonder Open-G hadden meesterwerken als Gimme Shelter, Jumping Jack Flash of Brown Sugar het levenslicht nooit gezien. Elke coverband kent het probleem: Stonesnummers klinken alleen als Stonesnummers als je je gitaar sloopt.

Het succes van de Rolling Stones heeft dus vele vaders, maar de stille kracht op de achtergrond heet Charlie Watts. Maakte de drummer zich in 1963 nog zorgen over 1965, tegenwoordig heeft hij andere dingen aan zijn hoofd. “Ach”, liet de oorspronkelijke jazzmuzikant eens optekenen, “voor mij hoeft het niet meer zo nodig. Ik drum eigenlijk alleen nog voor Mick en Keith.” Laat de kinderen maar spelen, oom Charlie past op de winkel. Een onderneming die uitsluitend uit ego’s en creatieve genieën bestaat, is geen lang leven beschoren. Het zakeninstinct van Jagger en de rustgevende stabiliteit van Watts vormen de voedingsbodem waarop Richards, ondersteund door Wood, zijn Keithiaanse gang kan gaan.

Geruchten over hun laatste tournee circuleren al sinds de jaren zeventig, maar in 2013 lijkt er dan werkelijk een einde te komen aan de grootste rockband ter wereld. Ik kan proberen om mijn emoties daarover te beschrijven, maar dat is een heilloze missie. Ook die woorden kunnen de lading namelijk nooit dekken.

Gard Simons

(De in Kerkrade geboren auteur is filmmaker, columnist en wetenschapsjournalist. Hij woont en werkt in Limburg. website Gard Simons)

    Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Plaats dit bericht op Twitter Geef dit als tip aan je Hyves-vrienden Voeg toe aan je Facebook-profiel Deel met je MySpace-vrienden Deel met je LinkedIn-contacten

    Tags:

    Leave a comment