
“Venice Biennale is a choking-on-money mercantilist fossil”. Het staat geschreven op de muur van het Roemeens paviljoen, bij de 20% van de redenen waarom je niet naar de Biënnale van Venetië hoeft te gaan. Ik ga er eens goed voor zitten.
Een apart fenomeen, de kunstbiënnale. Op het moment dat ‘de moeder aller biënnales’ haar deuren opent voor het grote publiek, is het voor de kunstwereld al voorbij. Journalisten en professionals denken de preview te hebben op artistieke nieuwigheden en aanverwante zaken, maar een internationale jetset van oligarchen, modekeizers, celebrities, toonaangevende curatoren en kapitaalkrachtige galeriehouders hebben al meer dan alleen een blik in de etalage mogen werpen.

Het is niet al glitter en glamour. De Ryanair-vluchten vliegen net zo af en aan als de privéjets. Als je je geen suite kunt veroorloven in een vijfsterrenhotel met zwembad in een palazzo aan het Canal Grande, dan neem je een eenvoudige albergo en deel je een kamer. Om de kosten te drukken natuurlijk. Niet dat dit het kapitalistische kunstcasino terug in balans brengt. Uiteindelijk draait iedereen mee in de farce die beeldende kunst heet, het intellectuele en artistieke keurkorps voorop.
Het genre biënnale nam een vlucht in de jaren negentig. De periode waarin gesubsidieerde kunst nog lang geen vies woord was. In die periode ontstond ook Manifesta, de Europese biënnale voor hedendaagse kunst. Met een thuisbasis in Amsterdam strijkt Manifesta elke twee jaar neer op een andere plek van het continent. In regio’s die in ontwikkeling zijn: de keuze voor de editie van juni 2012 is gevallen op Genk met haar rijke mijnverleden. Geen Brussel, Londen of Milaan maar ver van de gebaande paden. Alhoewel die paden wel bewandeld moeten worden om een biënnale voor elkaar te krijgen. Want uiteindelijk hangt het aan elkaar van een netwerk van usual suspects.

Ook als je kunsthistorica en schrijfster Sarah Thornton mag geloven. Getuige de aanpak van haar boek Seven Days in the Art World waarin ze de hedendaagse kunstwereld beschrijft aan de hand van een veiling, de kritiek, de beurs, de prijs, het atelier, een tijdschrift, de biënnale. Elk hoofdstuk begint met een sterke beschouwing waarna ze in dezelfde valkuilen trapt als degenen die ze ondervraagt. Een chronologische verhandeling volgt over wie ze tegenkomt, wie ze niet allemaal kent, en wat die en die te melden heeft. In het beste geval geeft ze op deze manier een ironische representatie van de kunstwereld, maar ik waag deze zelfspot te betwijfelen.

Wat kunst een elitaire naam bezorgt is dat ze niet wil bevestigen, zegt kunstcriticus Anna Tilroe, die, toevallig of niet, afgelopen week een lezing gaf in datzelfde Genk. Kunst behoudt zich de vrijheid voor over alles anders te denken. De verantwoordelijkheid nemen om anderen in dat anders denken mee te nemen wordt nog wel eens vergeten. Tilroe pleit voor een hernieuwde rol voor musea om kunst weer in een (historische) context te plaatsen. Ze wil verdieping, geen vluchtigheid, en gelijk heeft ze.
Maar laten we beginnen met de mensen die aan het roer staan. Het is de inner circle die het geheel in stand houdt, de kortzichtigheid en arrogantie van het wereldje dat de eigen belangen hoog moet houden. Of zoals op het Roemeens paviljoen staat: “Venice Biennial = western showroom of hegemony”. “We have nothing to wear at the opening”, zegt ook genoeg.

De Biënnale van Venetië sloot vorig weekend haar 54e editie af.
Sarah Thornton – Art, achter de schermen van de kunstwereld
Anna Tilroe – De Ja-sprong, naar een nieuwe vitaliteit in kunst
Tekst en foto’s: Adrienne Peters




Sterk verwoorde observatie, en opvallend genuanceerd in vergelijking met wat tegenwoordig vaak onder het kopje “column” wordt gepresenteerd!
@Bart, Dank!
Goede blik op het boek van Thornton, zelf ook gelezen en gebruikt in een essay tijdens mijn studie. Vooral interessant is haar beschrijving van hedendaagse kunst als plaatsvervanger voor religie.
Het pleiten voor ‘verdieping’ heeft echter een dubbele lading voor mij. Afgelopen week nog twee (niet nader te noemen) exposities in Maastricht bezocht. De ‘verdieping’ was daar zo alomtegenwoordig dat het me duizelde. Sinds de jaren ’60 en ’70 lijkt het intellectuele en vooral filosofische aspect de hoofdrol te hebben genomen in veel kunst. Iets waar ook de huidige generatie ‘kunstmensen’ nog steeds te weinig uit breekt. Begrijp me niet verkeerd: inhoud is uitermate belangrijk, maar het is weinig interessant iedere keer weer Sol Lewitt copycats te moeten bekijken.
Als cultuurwetenschapper maar ook kunstliefhebber zou ik het ‘intellectuele meanderen’ interessant kunnen vinden, maar het stoot eigenlijk alleen tegen mijn borst. Danto schreef al over het opgaan van kunst in de filosofie. Het is moeilijk als kunstenaar je positie te vinden in een wereld die de afgelopen 100 jaar zo ver doorontwikkeld is.
Ik prefereer dan de houding van kunsthistoricus Henk van Os, welke kunst wil brengen als de ‘geïnteresseerde medestaander’.
Ja, er moet plaats zijn voor verdieping. Maar geniet met mate.
hallo Lars, ben het met je eens hoor, verdieping gaat soms wel erg ver. Vandaar ook de zin: “de verantwoordelijkheid nemen om anderen in dat anders denken mee te nemen wordt nog wel eens vergeten.” Het is en blijft mijn pleidooi bij kunst!
P.S. Dank voor je tip (Henk van Os).